Irregular past: core verbs
A2The six most common Dutch verbs are all irregular in the past: komen → kwam → gekomen, gaan → ging → gegaan, zijn → was → geweest, hebben → had → gehad, doen → deed → gedaan, zien → zag → gezien.
- Voorbeelden bekeken
- Geoefend
- Scenario bezocht
Anna: ?
Tom: . .
Moeder: ?
Sanne: . .
Baas: ?
Medewerker: , . .
Oefenen
1 / 5Anna: Hoe laat kwam je gisteren thuis?
What time did you get home yesterday?
Vul het ontbrekende woord in:
I didn't get home until around midnight. The meeting ran late.
Gebruikt in scenario's(5)
- Understanding Your Dutch Pay SlipB1
“Ja, dat is normaal hoor, voor iedereen die hier nieuw is.”
Yes, that's normal, for everyone who's new here. What don't you understand?
- Food and drink basicsA0
“Wat mag het zijn?”
Good afternoon. What can I get you?
- Numbers and moneyA0
“Dat is twee euro zestig.”
That is two euros sixty.
- Greetings and goodbyesA0
“Ik ben Jan.”
Good morning! I am Jan.
- In the shopA0
“Dat is twee euro.”
That is two euros.