De zes meest voorkomende werkwoorden zijn allemaal onregelmatig in de verleden tijd: komen → kwam → gekomen, gaan → ging → gegaan, zijn → was → geweest, hebben → had → gehad, doen → deed → gedaan, zien → zag → gezien. "Zijn", "gaan" en "komen" gebruiken "zijn" als hulpwerkwoord in de voltooide tijd; "hebben", "doen" en "zien" gebruiken "hebben".
Anna: ?
Tom: . .
Moeder: ?
Sanne: . .
Baas: ?
Medewerker: , . .