Patronen
Each family takes one tricky Dutch word or pattern and plays it back across many short dialogues with audio. You pick up the rhythm by hearing it repeated in real sentences.
Free to use, no signup needed. Pick any family below to start listening.
Separable verbs
Als je iets samen met iemand doet, voeg je "mee" toe aan het werkwoord. In een hoofdzin staat "mee" los aan het einde: "Kom je mee?"
"Af" betekent vaak dat iets klaar of voorbij is. In een hoofdzin staat "af" los aan het einde: "Ik maak het af." In een bijzin blijft het werkwoord heel: "... omdat ik het werk afmaak."
"Aan" komt heel vaak voor bij werkwoorden voor beginnen, aandoen en aanraken. In een hoofdzin staat "aan" los aan het einde: "Ik trek mijn jas aan." In een bijzin blijft het werkwoord heel: "... als ik mijn jas aantrek."
"Op" betekent vaak helemaal klaar of omhoog. In een hoofdzin staat "op" los aan het einde: "Ik sta om zeven uur op." In een bijzin blijft het werkwoord heel: "... omdat ik vroeg opsta."
"Uit" betekent vaak naar buiten of uitschakelen. In een hoofdzin staat "uit" los aan het einde: "Ik zet de lamp uit." In een bijzin blijft het werkwoord heel: "... voordat ik het licht uitdoe."
Irregular past tense
De zes meest voorkomende werkwoorden zijn allemaal onregelmatig in de verleden tijd: komen → kwam → gekomen, gaan → ging → gegaan, zijn → was → geweest, hebben → had → gehad, doen → deed → gedaan, zien → zag → gezien. "Zijn", "gaan" en "komen" gebruiken "zijn" als hulpwerkwoord in de voltooide tijd; "hebben", "doen" en "zien" gebruiken "hebben".
"Komen" is onregelmatig: de verleden tijd is "kwam/kwamen" en het voltooid deelwoord is "gekomen" (met zijn, niet hebben). Dit werkwoord hoor je de hele dag door.
Prepositions
Voorzetsels van plaats vertalen niet altijd letterlijk uit het Engels. "In" gebruik je voor een afgesloten ruimte, "op" voor een vlakke ondergrond én voor sommige vaste plekken zoals kantoor of school, "aan" voor iets waar je dichtbij zit of langs staat, "bij" voor iemands huis of een persoon, en "naar" als je ergens heen gaat. Luister naar de combinaties, want elk voorzetsel hoort vast bij bepaalde woorden.
Voor tijd kiest het Nederlands een vast voorzetsel per soort tijdsaanduiding. "Om" gebruik je bij een klokuur (om half negen), "op" bij een dag of datum (op maandag, op 5 mei), "in" bij maanden, jaren en seizoenen (in mei, in 2025, in de zomer), "na" voor "later dan" en "voor" voor "eerder dan". Deze combinaties zijn vast en je leert ze vooral door ze vaak te horen.
Veel Nederlandse werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat je niet kan vertalen uit het Engels. Je denkt "aan" iets, kijkt "naar" iets, luistert "naar" iemand, wacht "op" iemand, en vraagt "om" iets. Deze combinaties moet je als één geheel leren — het werkwoord zonder zijn voorzetsel klinkt incompleet. Hoor je "wachten voor", dan weet je dat het fout is; het is altijd "wachten op".
Word order
In a Dutch main clause the conjugated verb is always the second element. Whatever you put first (a time word, a place, an object), the verb still has to come right after it, and the subject moves behind the verb.
After conjunctions like omdat, dat, als, terwijl, hoewel, voordat and nadat, the conjugated verb moves to the end of the clause. The subject stays right after the conjunction; everything else sits in between.
Dutch puts the second verb form at the end of the clause. With a modal (moeten, kunnen, willen, mogen) the infinitive goes to the end. In the perfect tense, "heb"/"ben" stays in second position and the past participle moves to the end. Everything else sits in the middle.
Modal particles (wel, toch, eigenlijk, even)