Veel Nederlandse werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat je niet kan vertalen uit het Engels. Je denkt "aan" iets, kijkt "naar" iets, luistert "naar" iemand, wacht "op" iemand, en vraagt "om" iets. Deze combinaties moet je als één geheel leren — het werkwoord zonder zijn voorzetsel klinkt incompleet. Hoor je "wachten voor", dan weet je dat het fout is; het is altijd "wachten op".
Collega: ?
Anna: .
Moeder: ?
Zoon: , .