Voor tijd kiest het Nederlands een vast voorzetsel per soort tijdsaanduiding. "Om" gebruik je bij een klokuur (om half negen), "op" bij een dag of datum (op maandag, op 5 mei), "in" bij maanden, jaren en seizoenen (in mei, in 2025, in de zomer), "na" voor "later dan" en "voor" voor "eerder dan". Deze combinaties zijn vast en je leert ze vooral door ze vaak te horen.
Collega: ?
Manager: , .
Moeder: ?
Tiener: , .