"Af" betekent vaak dat iets klaar of voorbij is. In een hoofdzin staat "af" los aan het einde: "Ik maak het af." In een bijzin blijft het werkwoord heel: "... omdat ik het werk afmaak."
Tim: Kun je dit rapport vandaag nog afmaken?
Saskia: Ja, ik maak het voor vijf uur af.
Lotte: Waarom ben je zo laat?
Ben: Ik moest eerst mijn huiswerk afmaken.