Most Dutch nouns take "-en" in the plural; words ending in -el, -em, -en, -er, -je, or an unstressed vowel take "-s"; a small group of older words takes "-eren".
Klant: Hoeveel boeken mag ik tegelijk lenen?
Bibliothecaris: Tien boeken per pas, drie weken lang.
Vader: Hebben jullie de tassen al ingepakt?
Zoon: Bijna, alleen de jassen nog.